Bouterse mag zich wettelijk niet verkiesbaar stellen als President.
In Suriname kan blijkbaar alles, iedereen lapt de wet aan haar laars, zelfs de grondwet.
Toch zijn er 2 stichtingen die vanmorgen om 3 wettelijke redenen protest hebben aangetekend
tegen dhr Bouterse. Dit zijn de: Organisatie voor Vrede en Gerechtigheid (OVG) en de
Stichting 8 december 1982.
Nu is de vraag of mw. Simons (parlementsvoorzitter) oor geeft aan de oproep en dus optreedt
als parlementsvoorzitter of dat zij zal optreden als NDP-er en politieke collega van dhr.
Bouterse, daarbij de brief van haar afschuift.
De redenen die worden aangedragen in de brief zijn kort samengevat:
Ten eerste is bij de kandidaatstelling de wettelijke termijn van drie dagen voor de dag van
de presidentsverkiezing in het parlement niet in acht genomen. Dit ontneemt de gemeenschap
de wettelijke ruimte om invloed uit te oefenen op de kandidaatstelling.
Het tweede bezwaar van de OGV en de Stichting 8 december 1982 is dat Desi Bouterse zich
volgens de grondwet niet verkiesbaar mag stellen als president. Op basis van artikel 92 in
de grondwet voldoet Bouterse niet aan de eis dat hij “geen handelingen moet hebben verricht
strijdig met de grondwet”. De twee organisaties stellen dat “algemeen bekend” is dat
Bouterse in drie gevallen de Constitutie heeft geschonden. Ze noemen de staatsgreep van 25
februari 1980, de decembermoorden in 1982 en de moorden in het dorp Moiwana in 1986.
de brief zelf:
“Aan
De Nationale Assemblee,
t.a.v. de voorzitter,
mw. drs. J. Geerlings-Simons,
Onafhankelijkheidsplein
A l h i e r .
—————————————-
Paramaribo, 19 juli 2010
Mag ik middels deze uw aandacht voor het volgende.
Mijn clienten, de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging ‘ORGANISATIE VOOR
GERECHTIGDHEID EN VREDE’ en de ‘Stichting 8 december 1982’, hebben op zaterdag 17 juli 2010
via de media er kennis van genomen dat de heer DESIRE DELANO BOUTERSE zich kandidaat heeft
gesteld voor de functie van President van de Republiek Suriname.
De verkiezingen voor deze functie en die van Vice-President van de Republiek Suriname staan
op de agenda van de buitengewone openbare vergadering van de Nationale Assemblee van
vandaag, maandag 19 juli 2010.
Clienten voornoemd wensen ten eerste met klem te protesteren tegen het feit dat de
wettelijke termijn tussen de afsluiting van de kandidaatstellingen en de daadwerkelijke
verkiezingen niet in acht is genomen. Verwezen wordt naar artikel 2 lid 2 van de Wet van 5
januari 1988, houdende regelen voor de kandidaatstelling en verkiezing van de President en
Vice-President van de Republiek Suriname (S.B. 1988 no. 2). Uit dit wetsartikel blijkt dat
de kandidaatstelling uiterlijk drie dagen voor de dag der verkiezing moet worden ingediend.
Hetgeen met zich meebrengt dat de verkiezingen tot President en tot Vice-President pas op
dinsdag 20 juli 2010 kunnen worden gehouden.
Een en ander klemt te meer, nu het om een bepaling van openbare orde gaat. De
kandidaatstelling is immers conform artikel 4 van voormelde Wet binnen een dag na sluiting
van de kandidaatstellingen via de publiciteitsmedia bekend gemaakt. De strekking daarvan is
de gemeenschap “ de gelegenheid te geven alsnog op geeigende en gepaste wijze, zo nodig,
haar invloed publiekelijk danwel te juister instantie te doen blijken in verband met de
verkiezing” (zie: de toelichting op dit wetsartikel). Door de termijn tussen
kandidaatstellingen en de verkiezingen met een volle dag te verkorten, maakt u inbreuk op
het democratisch recht van de gemeenschap om deze kandidaatstellingen te beinvloeden door
haar stem te laten horen.
Het komt clienten dan ook voor dat geen rechtsgevolg aan meergenoemde verkiezingen kan
worden toegekend, indien deze verkiezingen toch op heden, maandag 19 juli 2010, zou
plaatsvinden.
Clienten roepen u dan ook op om daarvan af te zien, en aan de Surinaamse gemeenschap alsnog
de volle wettelijke ruimte te geven om op de kandidaatstellingen voor de functie van
President en die van Vice-President invloed te kunnen het uitoefenen, hetzij publiekelijk,
hetzij anderszins.
Ten tweede doen clienten een dringend beroep op u om de kandidatuur van Desire Delano
Bouterse af te wijzen, althans te oordelen dat hij niet verkiesbaar is voor de functie van
President van de Republiek Suriname. Deze kandidaat voldoet namelijk niet aan alle vereisten
die in artikel 92 van de Grondwet voor deze functie zijn gesteld. In het bijzonder voldoet
de kandidaat niet aan het vereiste dat hij “geen handelingen moet hebben verricht strijdig
met de Grondwet”.
Het is immers van algemene bekendheid dat Desire Delano Bouterse herhaaldelijk de Surinaamse
constitutie heeft geschonden. Clienten beperken zich in dit verband tot 3 (drie) voorvallen,
te weten:
I. Op 25 februari 1980 heeft Desire Delano Bouterse deelgenomen aan een staatsgreep, althans
hij heeft een actieve rol bij die staatsgreep gespeeld, waarbij de democratische rechtsorde
van Suriname om ver is geworpen. (Zie: Jozef Slagveer, De Nacht van de Revolutie).Volkomen
in strijd met de constitutionele bepalingen heeft Desire Delano Bouterse (tezamen met
anderen) aldus door gebruikmaking van geweld staatsmacht naar zich toegetrokken. Een
dergelijk handelen is strijdig met de Grondwet, doordat staatsmacht is verkregen welke niet
op de Grondwet was gestoeld.
II. Op 8-9 december 1982 zijn 15 vermeende politieke tegenstanders van het toenmalige
militair regiem geexecuteerd of anderszins om het leven gebracht. Desire Delano Bouterse
heeft op verschillende momenten publiekelijk bekendgemaakt dat hij daarvoor verantwoordelijk
is. Het ‘recht op leven’ is echter in de Grondwet (zowel in die van 1975 als in die van
1987) als grondrecht verankerd. Indien Desire Delano Bouterse verantwoordelijk is voor het
ontnemen van het leven van deze 15 burgers van Suriname, heeft hij alzo strijdig met de
Grondwet gehandeld. Het handelen terzake moet namelijk in ieder geval aan hem als
‘verantwoordelijke’ worden toegeschreven.
III. Op 29 november 1986 is door een eenheid van het leger het Marondorp Moiwana
aangevallen, waarbij meer dan 40 onschuldige mannen, vrouwen en kinderen zijn gedood en het
dorp is vernietigd. Op pagina 77 van de uitspraak van de Inter-American Court of Human
Rights d.d. 15 juni 2005 (Case of the Moiwana Community vs. Suriname) wordt Desire Delano
Bouterse, toen bevelhebber van het leger, als het brein (‘author’) achter het bloedbad
aangemerkt. De betrokkenheid van Desire Delano Bouterse blijkt ook bij het ‘bevrijden’ van
een der verdachte (Orlando Swedo) uit de politiecellen in april 1989. Door Desire Delano
Bouterse is na die bevrijding een persconferentie belegd waarbij door hem is bevestigd dat
de opdracht tot de inval in het dorp Moiwana van hem als bevelhebber afkomstig was. Verder
is door hem aangegeven dat hij niet zal toestaan dat die inval door de burgerpolitie wordt
onderzocht. (Zie verder ook: Dagblad De Ware Tijd van 28 mei 1993, Wat zich te Moiwana
voltrok.)
Zoals hierboven reeds is aangegeven, is het ‘recht op leven’ in de Grondwet als grondrecht
opgenomen. Het geven van een opdracht waarbij ongewapende burgers, waaronder kinderen,
zonder enig vorm van proces zijn doodgeschoten is op zijn minst strijdig met dit grondrecht.
(Naar alle waarschijnlijkheid is hier zelfs sprake van een misdrijf tegen de menselijkheid.)
Mijn clienten, de Organisatie voor Gerechtigheid en Vrede en de Stichting 8 december 1982,
gaan er vanuit dat de Nationale Assemblee op de naleving van de wettelijke regels zal
toezien en in het belang van de totale Surinaamse Natie dienovereenkomstig besluiten zal
nemen. In dezen betreft het immers niet de toepassing of het buiten toepassing laten van
strafrechtelijke regels, maar de toepassing van wettelijke regels die betrekking hebben op
waarborgen voor een deugdelijke invulling van de functie van President en Vice-President van
de Republiek Suriname alsook op een degelijke verkiezingsprocedure.
Inmiddels verblijf ik,
hoogachtend,
Mr. Marja I. Vos
cc. Fracties in DNA”